Wing Chun Kung Fu Voetwerk

Voetenwerk is het fundament van je structuur. Met goed, beweeglijk voetenwerk kun je het hele gevecht al winnen. Voetlijnen kruisen altijd om een driehoek (piramide) structuur te vormen. De Siu Lim Tau-stand is een 2x achterste been-structuur. In de loopstand blijven de knieën bij elkaar (kruis gesloten houden). De achterste voet wijst altijd de richting aan van de heup. De heup ligt in een rechte lijn achter de ellebogen ter ondersteuning. Wanneer je heup gekanteld staat, ligt je gewicht in je achterste been, voor een opwaartse lijn, zodat de krachtlijn vanuit de grond komt. Wanneer je heup terug kantelt, komt je heup horizontaal te staan en kun je pas 50/50 staan met je gewicht, maar dan is de krachtlijn niet meer vanuit de grond ondersteunend. Je zult dan ook sneller met je arm “overschieten”.

 Training Stand ( Yi Ji Kim Yeung Ma )

 Tekening hierboven: beide benen dragen evenveel gewicht, daarom is het een 2x achterste been-structuur. Geen enkele sport met de armen werkt goed wanneer het voetenwerk niet klopt. Denk aan een tennisser of basketballer. Martial arts is op dit vlak niet anders. Alleen als alles samenkomt, kun je met minimale kracht maximaal effect bereiken. De juiste samenwerking tussen benen, heupen, armen en timing, plus de coördinatie van rotatie, instap en massaverplaatsing in de stoot, zorgt voor deze gebundelde kracht in je stoot.

 Training Stand (Yi Ji Kim Yeung Ma) = (Chinees: geitenstand) 

De Yi Ji Kim Yeung Ma, of Siu Lim Tau-stand, wordt ook wel de training stand genoemd. Deze driehoekstand is een trainingsstand voor de benen en geen vechtstand. Eigenlijk is het een 2x achterste been-structuur. Je leert deze stand al in les 1 en bent dus in wezen bezig met het fundament van je stoot. Wanneer je in een loopstand staat, waarbij je één been voor hebt en één been achter, heb je meer stabiliteit en sta je veel sterker. Dit is ook je vechtstand. In de Siu Lim Tau-stand moet je daarom beter je balans ontwikkelen en train je meer je heupen. In de loopstand compenseren je benen je onbalans, wat goed is, maar het is beter als je zo verticaal mogelijk leert staan.

De trainingsstand (Yi Ji Kim Yeung Ma) is abstract en dus geen stand om in te vechten. 

Een quote van Wong Shun Leung was dan ook: “Dit is de slechtste stand om in te vechten.” We gebruiken deze stand tijdens Chi Sau-training, waarbij ook de roterende armen een abstracte oefening zijn. Je hebt beide armen in contact met die van je trainingspartner, iets wat in een echt gevecht nooit op deze manier zal voorkomen. Wanneer je in Chi Sau traint en vanuit deze roterende armen overgaat naar een aanval, ga je vanuit deze stand naar je loop- of vechtstand. De ander moet dan ook naar de loop-/vechtstand gaan om zo een goede gewoonte aan te leren. Wanneer je uit de abstractie van Chi Sau komt, moet je ook uit de abstracte stand komen. Dit is een goede gewoonte om aan te leren. Dit hoeft niet altijd: soms wil je alleen de armen trainen en blijf je in deze trainingsstand staan. Maar wees je ervan bewust dat dit een abstracte situatie is. Ga je van de abstracte Chi Sau-rotatie naar aanval en verdediging, ga dan ook altijd naar je loop-/vechtstand in normaal sparren en trainen, met uitzondering van bepaalde oefeningen en het trainen op de balken. Je kunt wel in deze Chi Sau-stand sparren, maar dan moet dit een bewuste afspraak zijn, zoals bij het trainen op de balken hieronder. Dan gebruik je geen voetenwerk, zodat de focus volledig op de armen ligt en beide partners in deze zwakkere stand blijven. Je kunt sparren mét voetenwerk of zonder voetenwerk, maar je kunt niet zeggen dat je met lopen en bewegen sparrt terwijl één van beide in de Chi Sau-stand blijft staan. 

 Je kunt niet leunen of te veel kracht geven met de armen, anders verlies je je balans. 

3 standen uit de vormen Voor het gemak noemen we ze stand A, B en C. (Voetlijnen: de lijn waarin de voeten staan kruisen altijd.) 

Wong Shun Leung heeft eens gezegd: de Yi Ji Kim Yeung Ma (stand A) is de slechtste stand om in te vechten. Stand B hieronder is niet veel anders dan stand A. Je staat iets geshift, maar je hebt geen achterste been dat de heup ondersteunt. Alleen stand C is geschikt om in te vechten. Deze stand wordt sterk ondersteund door het achterste been, dat in één lijn staat met heup, elleboog en hand. 

Je kunt niet vanuit de trainingsstand, zoals in de eerste vorm (A, foto hieronder), vechten. Je staat niet sterk omdat je benen naast elkaar staan en je kruis open staat. Ook wanneer je shiftt, zoals in de tweede vorm (B, foto hieronder), verandert er in essentie weinig. Je gewicht verplaatst zich wel iets naar één been, maar de omstandigheden blijven hetzelfde. Je staat nog steeds op één lijn en je kruis blijft open. Daarom is dit ook een trainingsstand en niet geschikt om in te vechten. Daarnaast staat je heup niet in lijn met de ellebogen en is er geen volledige structurele ondersteuning.

 Stand A (Chi Sau-stand, Chinees: Yi Ji Kim Yeung Ma), stand B (shift-stand / Bong Lap-stand) en stand C (loop-/vechtstand: één been voor, één been achter). 

De pijl in de tekening hierboven is de heuplijn: de richting waarin je heup staat en dus ook je krachtlijn vanuit je lichaam. Alleen in stand C wordt de heup ook ondersteund door de grond, zie de volgende foto hieronder. 

De groene lijn op de foto hierboven is het zwaartepunt en dus ook de gewichtsverdeling. 

Een argument dat ik wel eens hoor is dat je in je loopstand (C, foto hierboven) je voorste been zou “weggeven” aan een tegenstander. Dit is alleen zo wanneer je te veel gewicht in je voorste been hebt. Wanneer je gewicht meer in je achterste been ligt, kun je het voorste been optillen om te trappen, te weren of terug te trekken. Omdat er bijna geen gewicht in het voorste been zit, kan dit zeer snel. Wanneer je 50/50 staat met je gewicht, ben je te laat met het wegtrekken van je been, omdat je eerst gewicht moet verplaatsen naar je achterste been voordat je iets met je voorste been kunt doen. Maar 50/50 is ook niet de juiste stand in je loopstand, zie de tweede vorm. 

Je geeft alleen je voorste been “weg” als je er niets mee kunt doen. Met andere woorden: je moet veel uren sparren met trappen trainen. 

In beide standen A en B (afbeelding hierboven) geef je in feite beide benen “weg” als iemand jou wil trappen. Je benen zijn altijd langer dan je armen, dus wanneer iemand jou wil trappen kan dat altijd buiten armbereik, ongeacht de stand. Wanneer je in stand A of B staat, kan de tegenstander kiezen waar hij je trapt, dus welk been. Dat maakt het voor jou nog moeilijker om het juiste been op tijd weg te trekken. Als de tegenstander trapt op het been waar je gewicht in staat (bijvoorbeeld stand B, zie afbeelding hierboven), dan kun je dat meestal niet op tijd terugtrekken: je moet eerst gewicht verplaatsen en dan ben je altijd te laat. In stand A en B plaats je je standbeen met het meeste gewicht binnen trapafstand. In je loopstand staat het been met het meeste gewicht juist achter, wat veiliger is. 

Soms zie ik iemand afwachtend staan in stand B. Wanneer de tegenstander aanvalt met een stoot en instapt, stapt men vanuit stand B terug naar de loopstand. Hierdoor blijft de afstand eigenlijk gelijk en ontstaat er opnieuw een beginsituatie. Wanneer de aanvaller opnieuw instapt, staat de ander alweer in de loopstand. Veel mensen hebben niet door dat ze zelf ook in een loopstand “opwachten”. Men begrijpt dan niet dat elke herpositionering een nieuwe beginsituatie creëert. Het begin van een opwacht-situatie hoeft niet per se het begin van de oefening te zijn. Net zoals het einde van een oefening niet per se het einde van een gevecht hoeft te zijn. Als je in stand C één been voor hebt, kan een tegenstander niet tegen je achterste been trappen, alleen tegen het voorste. Door in je loopstand te staan beperk je dus zijn mogelijkheden. Je kunt je voorste been snel achterwaarts terugtrekken, omdat je gewicht in het achterste been zit.

 Vechten, doe je in je loop stand

 Alleen in je loopstand (stand C) is je heup ondersteund door een been dat in een rechte lijn staat met je elleboog en arm. In stand A en stand B staan je benen onder je heup en naast elkaar. Er staat geen been achter je heup, waardoor de heup geen ideale ondersteuning vanuit de vloer heeft. 

Loopstand ( vecht stand C ) 1 been voor 1 been achter. Lijnen van je voeten kruisen altijd!

 

Loopstand ( vecht stand C ) 1 been voor 1 been achter. Lijnen van je voeten kruisen altijd! 

Plaatje1

 Plaatje 1 hier boven: Heuplijn is je centerline, het gaat niet alleen om de armen wanneer we over de centerline spreken ! Voet lijnen kruisen altijd !

Plaatje 2

 In plaatje 2 staat de krachtlijn niet richting de tegenstander en is er daarom geen ideale ondersteuning van de heup. Zeker niet als je met je rechterarm stoot; dan zit er geen heupondersteuning achter de stoot (tenzij je naar rechts wilt stoten). 

Ik zie mensen jarenlang trainen met allerlei oefeningen om de heup recht achter de ellebogen te zetten, om zo een goede structuur te ontwikkelen. Vervolgens gaan ze sparren en zetten ze de achterste voet en dus ook de heup uit de lijn. Dan kun je je afvragen waarom je al die eerdere training hebt gedaan: je zegt A en doet vervolgens B. Dat vind ik persoonlijk erg opmerkelijk. Ik heb dan het idee dat men de vormen alleen als referentie ziet wanneer het om de armen gaat. 

De heuplijn is de krachtlijn vanuit je lichaam. De achterste voet is de aanwijzer die bepaalt waar de heup naartoe gericht is. 

Als men niet goed staat met de voeten, zoals in plaatje 2 hierboven, komt dat vaak doordat men alleen aan de armen denkt, of zich niet bewust is van het voordeel van goed voetenwerk. Dan ontbreekt de bewustwording in voeten en heup. In de eerste fase van Wing Chun gaat het om het gelijktijdig aansturen van beide armen. Dit is al moeilijk genoeg, omdat je twee armen tegelijk verschillend moet kunnen aansturen. In de tweede vorm komen heup, benen en voeten erbij, en daar moet ook bewustzijn en gerichte aandacht in ontwikkeld worden.

 12 Nadelen die ik zie als je verkeerd staat in je (vecht) loop stand, zo als hier onder wordt weergegeven.

Plaatje 3

 Wanneer je achterste voet niet correct staat, zoals in dit voorbeeld (plaatje 3), staat de rechtervoet achter en te ver naar rechts. 

1 Je heup ondersteunt je elleboog van je rechter stoot niet, omdat de heup een andere kant op staat. Daar train je juist al die oefeningen voor: om je heup achter je elleboog te krijgen. 

2 Geen driehoekstructuur en dus een zwakkere stand. 

3 Je kunt niet shiften vanuit je loopstand, omdat je heup al open staat. Zoals in de tweede vorm, tweede set die je laat zien. 

4 Je kunt moeilijk naar links stappen of trappen als de tegenstander naar links beweegt. Je zou je achterste voet moeten draaien, wat moeilijk is en tijd kost. 

5 Je kruis staat te veel open om getrapt te worden; je bent kwetsbaar. De knieën horen dichter bij elkaar. Dit merk je vooral als je gaat sparren met trappen. 

6 Omstappen naar achteren (je voorste been komt achter) wordt lastiger, omdat je nieuwe voorste voet veel meer moet draaien. 

7 Door deze stand komt je gewicht op 50/50. Als iemand dan je voorste voet wil vegen, word je onderuit geveegd. Je kunt je voet niet direct optillen. 

8 Als je achterste rechtervoet al naar rechts buiten wijst, sta je met je benen al te ver uit elkaar. Wanneer je voorste voet van binnenuit naar links wordt geveegd, kom je te ver uit elkaar en verlies je balans. Wanneer je achterste voet/been recht zou staan, heb je meer om te compenseren, omdat je benen dan minder ver uit elkaar staan. 

9 Door deze foute stand komt je gewicht meer op 50/50 en je heup komt dan meer horizontaal te staan, waardoor ondersteuning vanuit de grond minder wordt. Dan ga je ook eerder met je schouders naar voren en kom je uit balans. Je heup moet een beetje diagonaal staan en niet horizontaal. In de eerste vorm leer je al je heup te kantelen. 

10 Je geeft je voorste been weg als je gewicht 50/50 staat, omdat je eerst je gewicht moet verplaatsen naar achteren als je wilt trappen of je been wilt terugtrekken. Je bent dan te traag. Als je gewicht al in je achterste been zit, kun je direct wegtrekken of trappen. Een trap naar je voorste been kun je voorkomen door op tijd weg te trekken of, in het geval van een low kick, kun je direct trappen met je voorste been. 

11 Het is een illusie om te denken dat je omvalt als je gewicht in je achterste been zit en je een stoot tegen je lichaam krijgt. Je hoofd, schouders en heup staan nog steeds in een verticale lijn en daarom is er geen probleem. Je hebt enkel één been voor. Als je achterste voet fout staat, is dat juist een nadeel omdat je niet diep in je achterste been kunt zitten. 

12 Wanneer je achterste voet naar buiten staat (fout), kun je ook niet goed trappen met je achterste been. Je moet dan de voet tijdens de trap eerst weer recht zetten om vervolgens naar voren te trappen en weer te draaien. Je achterste voet staat daardoor niet in een trappositie.

Test het volgende: 

(1) Ga in je loopstand staan en zet je rechtervoet achter, naar buiten gericht. Duw vervolgens met je rechterarm/palm het lichaam van iemand weg. 

(2) Zet daarna je voet goed: recht naar voren, in de richting van je tegenstander, en doe hetzelfde. Wat is sterker en beter structureel onderbouwd? 

Deze simpele test, plus de referenties van de tweede vorm en dummy-vorm, zeggen genoeg. 

Als je beter of sneller zou kunnen afzetten met je achterste voet wanneer die naar buiten staat, zouden sprinters dat ook doen. Bedenk eens hoe je een auto zou duwen eigenlijk is dat hetzelfde. Doe je dat met je achterste voet naar buiten gericht of juist recht naar voren? 

Het is een illusie dat je sneller kunt lopen of beweeglijker bent als je achterste voet naar buiten staat. De juiste stand en manier van lopen is vooral een kwestie van aanwennen. Ik heb wel eens iemand horen zeggen: “Ja, zo loop ik lekker” (met de achterste voet naar buiten). Tja, als dat je technische onderbouwing is… Je kunt misschien ook “lekker” stoten met je elleboog niet recht achter je vuist, maar of dat beter is, is een tweede. Het is een vergelijkbaar inhoudsloos argument. De grondgedachte is dat je elleboog wordt ondersteund door je heup. Alle oefeningen zijn daarop gericht. De vormen vertellen je hoe je moet staan en lopen die zijn er niet voor niets. Het is ook geen goed argument om te zeggen dat iemand zo sterk is met zijn armen dat hij een fout in de voeten wel kan permitteren. Dat is een excuus om technisch incorrect bewegen goed te praten. Het is hetzelfde als iemand met sterke armen die de Bong Sau verkeerd uitvoert (bijvoorbeeld met de elleboog te ver naar buiten). Omdat hij sterk is, “werkt het toch wel”. Maar is de techniek dan ineens goed? Mensen zijn geneigd alles te kopiëren zonder zelf na te denken. Als je dit soort fouten toestaat, wordt de volgende generatie zwakker in structuur. 

Huppelen vs. snel lopen Ik zie soms mensen bijna huppelend naar voren komen omdat ze snel willen bewegen. Als iemand snel op mij afkomt, is hij vrijwel nooit in staat om op tijd te remmen wanneer dat nodig is. Hij kan dan in een stoot of trap lopen, of doorschieten als ik uit de lijn stap. Daarom zijn bewegingsgrenzen zo belangrijk in martial arts. Als iemand te snel naar achteren gaat, ga ik hem niet “achterna jagen”. Als hij wil vechten, komt hij maar naar mij toe. Ik ga niet het risico lopen om door te schieten omdat ik hem per se wil volgen. In elke stap moet je dus kunnen afremmen, om niet in een val te lopen of om zelfs terug te kunnen stappen. Als snelheid zo belangrijk is, ga dan gewoon lopen zoals je normaal loopt. Als je dreigt te gaan huppelen, ben je bovendien kwetsbaar om onderuit geveegd te worden. Daarom is “zo snel mogelijk bewegen” niet altijd beter; er zit veel risico aan vast. Dit wordt vooral duidelijk tijdens sparren, zeker bij sparren met trappen. Grootste fout bij het stoten 

De grootste fout die mensen maken bij het geven van een stoot is dat ze de schouder vóór de heup brengen, waardoor het lichaam niet meer verticaal staat en uit balans raakt. Als je niet verticaal staat, kun je makkelijker vallen en op de grond belanden. Dit is ook waarom gebouwen verticaal worden gebouwd en niet scheef, zoals de Toren van Pisa. De reden dat mensen hun schouders naar voren brengen bij een stoot is vaak een gewoonte uit het dagelijks leven: als je iets niet kunt bereiken, ga je automatisch met je schouders naar voren. Dat is buiten training de snelste oplossing. In gevechtssituaties is dat echter nadelig, omdat je daardoor uit balans komt. 

Als je “overschiet” met je arm omdat je er niet bij kunt, komt dat vaak doordat je bang bent om in te stappen.

 Foto 1: Verticale stabiliteit Foto 2: Door de schouders naar voren te brengen komt een deel van je gewicht uit balans.

 Gebruik maken van de kracht van de tegenstander Grappig genoeg is dit precies de uitleg die systemen zoals Aikido en Jiu Jitsu vaak geven. Ze gebruiken niet letterlijk “de kracht van de tegenstander”, maar vooral de onbalans in combinatie met de voorwaartse beweging. Ze maken gebruik van de massa van het lichaam die al in beweging is en daardoor uit balans raakt. Bijvoorbeeld: iemand stoot en brengt daarbij zijn schouders naar voren. Het lichaam staat dan niet meer verticaal en is uit balans. Op dat moment is een deel van de lichaamsmassa al uit balans gebracht. Daardoor is er weinig nodig om de rest ook uit balans te brengen. Wanneer iemand daarentegen optimaal verticaal staat en stevig en diep staat, werken dit soort technieken veel minder goed. Dat komt omdat er geen bestaande balansverstoring is. De Wing Chun-beoefenaar zal altijd streven naar verticale stabiliteit, waardoor het moeilijker wordt om hem met een worp uit balans te brengen. We geven onze massa niet weg, waardoor een ander er minder grip op heeft om die te verstoren.

 Gewichtverhouding & zwaartepunt 

De structuur van het lopen in de tweede vorm en de dummy moet uiteraard hetzelfde zijn als de structuur die je gebruikt tijdens het lopen in oefeningen en training. 

Het is namelijk ook onmogelijk om je heup te kantelen en tegelijkertijd een 50/50 gewichtsverdeling te hebben in je loopstand. 

In de tweede vorm, in de eerste, tweede en derde set, wordt precies getoond hoe diep je moet staan en hoe de verhouding tussen je rechter- en linkerbeen is opgebouwd. In de derde set is dit heel duidelijk zichtbaar: je draait van Chi Sau-stand naar loopstand en daarna maak je een trap. Dit is niet alleen om de trap te trainen, maar ook om aan te geven hoe diep je in je achterste been moet staan. In de tweede vorm zie je ook een dubbele Bong Sau, maar dat kan in principe ook een stoot zijn. Het laat simpelweg de manier van bewegen zien en hoe je gewichtsverdeling hoort te zijn. 

Meten is weten 

Eén voet op een weegschaal en de andere op een stapel boeken om op gelijke hoogte te staan. Test: 3 standen uit de vormen Mijn volledige gewicht is 84 kilo. Stand A Wanneer ik in mijn eerste vorm-stand (Chi Sau-stand) sta, is mijn gewicht 42 kilo op beide benen. (50/50 verdeling) Stand B Wanneer ik in mijn shift-stand sta, komt het uit op 55 kilo op één been en 29 kilo op het andere. (Bong Sau / Lap Sau-stand, tweede vorm) Stand C Wanneer ik verder shift naar mijn loop- (vecht)stand, is de verdeling 61 kilo en 23 kilo. (loopstand tweede vorm / dummy) 

De volgende test was om te proberen een loopstand aan te nemen waarin beide benen 42 kilo dragen. Dat is niet eenvoudig. Je moet dan bijna rechtop staan met het gewicht precies gecentreerd tussen beide benen. Zodra je heup ook maar iets kantelt, gaat het gewicht direct meer naar het achterste been dan naar het voorste been. Zelfs wanneer je je zwaartepunt maar enkele centimeters naar achteren verplaatst, ontstaat er al een duidelijke verschuiving in gewicht. Je zwaartepunt ligt dus bijna in het midden, maar juist die kleine verschillen maken het verschil. Probeer dit zelf eens met een weegschaal.

 Zwaartepunt en gewichtsverplaatsing 

Het zwaartepunt ligt net iets achter het midden. Wanneer het zwaartepunt slechts enkele centimeters achter het midden verschuift, verplaatst dit al een groot deel van het gewicht naar achteren. Dit is ook wat ik op de weegschaal zag tijdens mijn test: de meter beweegt snel heen en weer zodra je maar een kleine verandering maakt. 

Uiteraard is het zwaartepunt niet statisch. Het zwaartepunt moet juist kunnen bewegen van achter naar voren en terug, bijvoorbeeld wanneer je een trap uitvoert. Anders kun je nooit effectief met je achterste been trappen. Wanneer je afzet om naar achteren te stappen, verschuift het zwaartepunt uiteraard mee. 

Wanneer je een video bekijkt van Wong Shun Leung, zie je dat het zwaartepunt verschuift bij elke rotatie, bijvoorbeeld bij het draaien van Bong Sau naar Lan Sau. Ook bij de eerste rotatie in de tweede vorm, de dubbele elleboog 180° shift, is dit zichtbaar. Dit kan alleen wanneer het gewicht meer in het achterste been zit dan exact in het midden, omdat je anders geen duidelijke verplaatsing zou zien. Uiteindelijk is dit gewoon een loopstand waar je doorheen draait. Als het gewicht exact 50/50 zou zijn, zouden zowel het draaipunt als het zwaartepunt in het midden blijven. In de praktijk is dat echter nooit het geval: het verschuift altijd mee. De screenshot hieronder dient als referentiepunt: de blauwe lijn ter hoogte van het oor van Wong Shun Leung. Zelfs een kleine verschuiving van het zwaartepunt zorgt al voor een grote verandering in gewichtsverdeling.

 Rode lijn is de hiel-lijn, blauwe lijn is het zwaartepunt. 

Omdat het zwaartepunt verplaatst, verplaatst het gewicht ook. Je verschuift ook van loopstand naar loopstand. 

In de eerste set van de Chum Kiu shift je van Lan Sau naar Bong Sau. Tijdens deze shift verplaats je je gewicht. Je hebt dan telkens meer gewicht in het ene been dan in het andere. De Bong Sau-stand is vergelijkbaar met de Bong Sau–Lap Sau drill; daarbij zit je gewicht ook meer aan één kant dan aan de andere. De Lan Sau is vergelijkbaar met de tweede set van de Chum Kiu, wanneer je een Lan Sau maakt met een vuist. Ook daar zit je gewicht meer naar achteren, anders kun je geen trap maken. Je staat dan in je loopstand. Dit gedeelte laat zien dat je gewicht bij elke shift van been verandert. Het bevestigt opnieuw dat je in je loopstand meer gewicht in het achterste been hebt. In de eerste set van de Chum Kiu loop je weliswaar niet, maar je staat wel in je loopstand. 

Wanneer de heup gekanteld is, kun je de schouder niet naar voren brengen zonder de structuur te verstoren. 

Wanneer de schouders naar voren gaan, kantelt de heup automatisch terug, wat fout is. Wanneer je een 50/50 gewichtsverdeling hebt, staat de heup niet gekanteld maar horizontaal. Als de heup horizontaal staat, wordt je kracht en stoot niet optimaal ondersteund door de grond. Je moet een diagonale lijn hebben van hiel naar heup naar elleboog naar vuist. Dit is niet mogelijk als de heup niet correct gekanteld is. De heup kan alleen kantelen als je diep in je achterste been zit. En je kunt alleen diep in je achterste been zitten als je achterste voet recht naar voren staat. Wanneer je achterste voet naar buiten gedraaid staat, verlies je structuur en sta je zwakker. Alles moet dus kloppen zoals de tweede vorm het laat zien. Dit is waarom we naar de vormen moeten kijken als het gaat om structuur: ze zijn precies hiervoor ontworpen.

Stokstand vergelijking met de loopstand 

Met de stok zie je ook dat wanneer je diep in je achterste been zakt, de punt van de stok omhoog komt. Dit volgt eigenlijk dezelfde diagonale lijn, omdat de heup gekanteld staat. Bij de stokstand kantel je de heup zijwaarts, omdat je ook zijwaarts staat. Hierdoor wordt voornamelijk je achterste bovenbeen belast. Wanneer je in de stokstand horizontaal staat met een 50/50 gewichtsverdeling, worden beide bovenbenen even zwaar belast. In de vecht-loopstand staat de heup ook gekanteld, om te voorkomen dat de schouder naar voren komt. Hierdoor wordt ook het achterste been zwaarder belast, omdat daar meer gewicht naartoe verplaatst wordt. Het principe is hetzelfde, alleen minder diep dan in de stokstand. 

Wanneer de heup niet gekanteld is en je niet diep in je stand staat, gebruik je voornamelijk je bovenlichaam voor ondersteuning van je ellebogen en armen. 

Stap achterwaarts 

Wanneer iemand een trap geeft naar jouw been of lichaam: Je wilt eerst het voorste been verplaatsen, omdat dit het dichtst bij de tegenstander staat. Daarna volgt pas het achterste been. 

 Terugtrekken van de voorste voet en stap naar achteren Belangrijk is het leren terugtrekken van je voorste voet en het naar achteren bewegen wanneer iemand jou wil trappen. Hierbij wordt je achterste voet je nieuwe voorste voet: je stapt om. 

Als je gewicht 50/50 is, geef je je voorste been eigenlijk weg, omdat je te laat bent met het terugtrekken van je voorste voet. Dit komt doordat je eerst je gewicht zou moeten verplaatsen naar je achterste been. Je gaat van A (zwart) naar een stap naar achteren B (grijs). 

Een gewone korte stap naar achteren, waarbij je afzet met je voorste been, is vaak te klein en te langzaam. Dit komt doordat je gewicht te lang in je voorste been blijft, waardoor je niet snel genoeg kunt terugtrekken. Wanneer je achterste voet niet goed staat, bijvoorbeeld naar buiten gedraaid, kun je je voorste voet ook niet goed terugtrekken. Dit noem ik een “stapelfout”: doordat je basis niet correct is, worden je opties beperkt. 

Afhankelijk van de afstand die je nodig hebt, kun je in positie B (grijs) je nieuwe voorste voet niet alleen draaien, maar ook terugtrekken (mee terugtrekken). 

Wanneer iemand een voorwaartse trap, low kick of high kick uitvoert, maakt de afstand in principe niet uit. Als de tegenstander mist omdat je buiten bereik staat, heb je meerdere opties: Je kunt trappen met je achterste been als tegenaanval. Je kunt instappen met een halve stap (een gewone loopstap) en een aanval met de armen maken. Of de tegenstander blijft doorkomen, waardoor je met je voorste been kunt trappen en hij erin loopt. In al deze gevallen is het belangrijk dat je direct goed in je achterste been komt te staan met je gewicht, zoals de tweede vorm aangeeft.

Shiften 

De reden van shiften is het corrigeren van je heuplijn. 

Je staat niet altijd met je heuplijn (centerline) recht naar je tegenstander. Dit kan komen doordat hij beweegt, of doordat de tegenstander jou heeft verplaatst. Het gebeurt dus dat je heuplijn niet goed staat en dat je deze moet corrigeren. Uiteraard genereer je ook kracht tijdens een shift, maar dat is niet het hoofddoel. Je shift op de hielen en niet op de bal van je voet. 

Het is fout wanneer je centerline correct staat en je vervolgens shiftt waardoor je zelf uit structuur komt. Je moet altijd shiften van een slechte situatie naar een betere situatie, nooit andersom. 

Er is geen reden om je heuplijn scheef te zetten in een oefening puur om harder te kunnen stoten. Als je heup verkeerd komt te staan, verlies je structuur en daarmee ook vervolgopties. Je wilt je heuplijn altijd correct houden. Een rechte heuplijn is de basis van het systeem. Alleen dan kun je effectief met beide armen werken dit is een structureel concept. Daarom moet de shift correct zijn: je centerline moet correct blijven ten opzichte van je tegenstander. Hoe zijn lijn staat is daarbij niet leidend. Basisprincipes van verplaatsing Instappen doe je wanneer de afstand te groot is. Achteruit stappen doe je wanneer de druk te groot is. Schuin achteruit is beter dan recht achteruit, maar niet altijd mogelijk. Shiften / rotatie gebruik je wanneer de afstand binnen armbereik is, of wanneer je uit lijn staat en je heuplijn moet corrigeren. Zijwaarts stappen gebruik je wanneer de tegenstander met snelheid instapt; daarna volg je altijd met instap of uitstap. 

Shift vanuit loopstand (overstappen) 

Je heup roteert tijdens de stap en je voeten wisselen. Deze stap gebruik je alleen wanneer je dicht bij de tegenstander staat. Dit kun je ook “overstappen” noemen. Dit kan alleen wanneer je buiten stootafstand staat. De shift vanuit de loopstand is bedoeld om de richting van de centerline ten opzichte van de tegenstander te verleggen. De tegenstander staat op dezelfde lijn recht voor je, maar jij komt schuin uit de lijn, waardoor jouw centerline correct blijft en die van de tegenstander niet meer optimaal is. Bij deze shift wordt je voorste been je achterste been, waardoor je licht uit de oorspronkelijke lijn komt te staan. 

Het doel is altijd: uit de centerline van de tegenstander komen. 

 Richting, centerline en shiftpositie De pijl geeft de richting van de heup en de middenlijn (centerline) aan. 

Je gaat van zwart naar grijs. Het voorste (zwarte) linkerbeen wordt het achterste (grijze) rechterbeen. Het achterste (zwarte) rechterbeen wordt het voorste (grijze) linkerbeen. Zo kom je aan de buitenkant van de arm van de tegenstander te staan. Na deze shift stap je vaak nog iets door om de tegenstander verder uit zijn lijn te zetten en de middenlijn over te nemen. Je zet daarbij af met de hiel van je achterste been. 

Doel van positie en structuur Je wilt je positie altijd verbeteren. Recht tegenover elkaar staan is nadelig, omdat er dan geen structureel voordeel is. Je wilt iets schuin gepositioneerd staan, zodat jouw centerline klopt en die van je tegenstander niet optimaal is. Door naar de buitenkant te bewegen creëer je een veiligere positie dan recht tegenover elkaar. Zo verplaats je de centerline van de tegenstander ten opzichte van die van jou, terwijl jouw eigen centerline behouden blijft. 

Toepassing in de tweede vorm In de tweede vorm maak je in de eerste set op een gegeven moment drie palmstoten naar de tegenovergestelde schouder. Dit geeft aan dat je binnen die hoek nog niet hoeft over te stappen wanneer je binnen bereik staat. Zodra de tegenstander echter verder komt dan je schouderlijn, moet je de shift vanuit je loopstand toepassen om je heuplijn correct te houden. De tweede vorm laat hiermee het grensgebied zien: tot waar je nog kunt blijven staan met je voorste voet voor, en vanaf wanneer je moet draaien naar de andere kant.

Toepassing vanuit de Chi Sau-stand 

Hetzelfde principe, maar nu beginnend vanuit de Chi Sau-stand. Iemand stapt in met Pak Sau. Jij stapt iets opzij en iets naar achteren met alleen je voet, niet met je hele lichaam, om ruimte te creëren voor je structuur. Je heup en bovenlichaam blijven gecontroleerd en gaan niet mee uit de lijn; alleen je voet verplaatst om ruimte te maken. Vervolgens kom je direct terug met een instap en een stoot van buiten naar de centerline. Daarbij gebruik je je elleboog om de arm te blokkeren en de centerline over te nemen. Je zult merken dat de tegenstander uit de lijn komt te staan, terwijl jij je centerline correct behoudt. Hiermee overrompel je de tegenstander. Uiteraard zijn er meerdere variaties mogelijk; Pak Sau is hier slechts een voorbeeld. Dit is dezelfde stoot (met open hand) als aan het einde van elke set in de dummy. Daar plaats je de elleboog in, terwijl je met de andere arm een Hun Sau maakt. 

 Shift vanuit de loopstand Als je in je loopstand had gestaan, zou dit de “shift vanuit je loopstand” zijn. 

Halve maan stap / cirkel stap De halve maan stap, of cirkel stap, is een over-stap waarbij je altijd wisselt van positie. Dit is in essentie een combinatie van een shift en een stap. Je shift eerst met je heup en stapt daarna in één vloeiende beweging door. De heuprotatie genereert hierbij de kracht. Je moet altijd de pas van de tegenstander afsnijden wanneer je aanvalt. 

De tegenstander beweegt van A naar B (zoals op het plaatje hieronder). Jij volgt deze beweging en snijdt de lijn af door over te stappen. Je achterste been wordt hierbij je nieuwe voorste been. Dit doe je om de kracht uit je heuprotatie te benutten. In het voorbeeld ga je van grijs naar zwart. Deze stap komt ook regelmatig voor in de dummyvorm.

 alve maan stap vs. rechte lijn Als je een rechte lijn zou trekken in plaats van een boog (rotatie), zoals op het plaatje hierboven, dan komt je heup niet goed mee in de rotatie. Hierdoor komt deze meestal niet goed achter de elleboog te staan. Een rechte lijn is wel sneller, maar niet per se beter. 

Ik noem dit zelf de halve maan stap. In het begin maak je deze stap vrij rond en ruim, maar later kun je hem directer naar je doel brengen. Als je deze beweging te vroeg te direct maakt, gaat het vaak fout, omdat je heup dan niet correct achter de elleboog komt te staan. Dit is een belangrijk uitgangspunt van de structuur van het systeem. Deze stap komt regelmatig voor in de dummy en in feite ook in de tweede vorm, alleen maak je in de tweede vorm vooral de rotatie en niet de stap zelf (in de tweede set). Een stap gebruik je wanneer je er niet bij kunt met je arm. Je traint dit ook vanuit Chi Sau: je gaat van Bong Sau naar een instap met een palmstoot om de structuur te trainen en om je heup achter je elleboog te krijgen. Het hele idee is dat je heup je elleboog ondersteunt. In de tweede vorm wordt dit ook bedoeld met “find the bridge”: het vinden van de verbinding tussen heup en elleboog, alsof je twee punten met elkaar verbindt via een brug. Wanneer je achterste voet of been verkeerd staat, zoals eerder beschreven (bijvoorbeeld naar buiten in je loopstand), dan is je heup al deels geroteerd. Hierdoor kun je minder kracht uit je heup halen tijdens deze halve maan stap.

 

 

 Je ziet hier hoe master Wong Shun Leung overstapt om de weg af te snijden.

Waarom de volg-stap niet kan Wat is de volg-stap? Wanneer je met je linkerbeen voor staat en de tegenstander beweegt naar jouw rechterkant, wordt vaak geprobeerd om met het linkerbeen een stap naar rechts te maken en te roteren op het rechterbeen. Het rotatiepunt is hierbij de heup van het rechterbeen. Dit wordt een volg-stap genoemd, omdat je het voorste been blijft “volgen” in de richting van de beweging. Bij deze stap heb je echter geen stabiele ondersteuning van het linkerbeen, omdat dit van de grond komt op het moment van armcontact. Bij de over-stap is er juist wel ondersteuning van de grond op het moment van contact. 

Je maakt dus een stap zonder over-stap en je behoudt je voorste been voorin. Dit lijkt korter en sneller, maar de kortste weg is niet altijd de beste. Een vergelijking: onder je eigen arm door stoten lijkt ook korter, maar je kruist je structuur en verzwakt je positie. In dit geval is de volg-stap structureel zwakker dan de halve maan stap. Daarnaast is het belangrijk om te kijken naar het systeem zelf. De halve maan stap komt overal terug in de dummyvorm, terwijl de volg-stap nergens voorkomt. Als de volg-stap werkelijk structureel correct en effectief was, dan zouden de ontwerpers van dit systeem deze beweging ook in de dummy hebben opgenomen. 

 Grootste probleem met de volg-stap Het grootste probleem met de volg-stap is dat je het verkeerde been voor hebt, waardoor je heup niet recht staat en je geen duidelijk achterste been hebt voor ondersteuning. Daarnaast snijd je de pas van de tegenstander niet af terwijl je aanvalt, wat juist wel noodzakelijk is. 

Basisstructuur van het systeem Als ik met rechts Pak Sau maak en met links stoot, moet mijn linkerbeen voor staan. Hetzelfde geldt wanneer ik met links een Lap Sau maak en met rechts stoot: dan staat mijn linkerbeen voor. Dit zorgt voor de beste verbinding tussen heup, elleboog en vuist. Ook bij Tan Sau en stoot zie je dit principe terug; dit komt steeds opnieuw voor in de dummyvorm. Structureel is dit altijd hetzelfde. Dit is noodzakelijk omdat je zo een been in lijn hebt met je elleboog en vuist, waardoor de heup optimaal wordt ondersteund vanuit de grond. Problemen in de praktijk Een onderschat probleem van de volg-stap is het volgende: Wanneer jij de volg-stap toepast en de tegenstander stapt opzij en vervolgens direct in, sta jij niet in je loopstand. In plaats daarvan sta je met open benen, alsof je in een Chi Sau-positie staat: zonder duidelijk achterste been. Hierdoor heb je een zwakke structuur in een echte vechtsituatie. Een ander probleem is dat je bij de volg-stap altijd een keuze moet maken. Als de tegenstander te ver weg beweegt, moet je alsnog overstappen. Als hij instapt, red je het niet met je structuur. De situatie verandert dus constant, waardoor je moet inschatten wat er gebeurt binnen een zeer kort moment. Dat maakt de techniek onbetrouwbaar. Je wilt echter één duidelijke oplossing per situatie. Meerdere keuzes in een fractie van een seconde maken je trager. Snelheid en structuur Men denkt soms dat de voorste voet sneller is omdat die dichter bij de tegenstander staat. Maar het gaat niet om de voet, het gaat om je lichaam, heup en armen. Je voorste voet is daarom geen betrouwbaar ijkpunt. Daarom is een shift met instap (de over-stap) in de praktijk sneller of minstens even effectief. 

Conclusie De volg-stap: komt niet voor in de vormen (dummyvorm) is structureel zwakker heeft meerdere nadelen in vervolgopties dwingt je tot keuzes in plaats van één duidelijke oplossing De over-stap daarentegen: komt wel voor in de vormen bevat een shift + instap behoudt structuur en heuplijn werkt consistent in verschillende afstanden Daarom is er weinig reden om de volg-stap te gebruiken; het is waarschijnlijk een latere interpretatie die zijn eigen weg is gaan volgen. In 2017 heb ik nog aan David Peterson gevraagd of de volg-stap correct is. Hij gaf aan dat hij deze nooit van Wong Shun Leung had meegekregen en dat deze volgens hem niet correct was. De redenen die hij gaf, komen overeen met de punten hierboven.

 Tui Ma 

Tui Ma is de beweging waarbij je van Chi Sau-stand naar loopstand gaat, of van loopstand naar loopstand, maar altijd naar achteren en uit de centerline van de tegenstander. Je stapt achterwaarts naar je loopstand. Daarbij verschuift je heuplijn van 6 uur op de klok naar 5 of 7 uur. Je lichaam komt iets schuin te staan en zakt in je stand, waarbij je de kracht absorbeert via je armstructuur, vanuit de elleboog en je stand. Vanuit deze positie kun je direct weer naar voren komen in de aanval. Je staat dan in een correcte loopstand, met de heup en armen goed gepositioneerd, terwijl de aanvaller uit de lijn staat. De rechtervoet beweegt langs de rode lijn wanneer je uitstapt naar 5 uur. De heup stond op 6 uur en draait naar 5 uur, zoals aangegeven in de tekening hieronder. 

Belangrijke opmerking Wanneer iemand meedraait tijdens je instap en de druk toeneemt, moet je verder uit de lijn gaan. Dit kan maximaal tot ongeveer 45° ten opzichte van je oorspronkelijke positie. Hoe ver je uit de lijn beweegt is afhankelijk van de druk van de tegenstander. De richtingen 5 en 7 uur zijn daarom indicaties en geen vaste, harde waarden.

 Tui-Ma Oefening 1 

Basisoefening vanuit Chi Sau: Vanuit Bong Sau stap je in met een palmstoot. De partner stapt uit naar achteren in de Tui-Ma-stand. In wezen ontstaat hier een Po Pai-structuur. De aanval wordt daarbij gecontroleerd door de Bong Sau van de tegenstander. De focus van degene die instapt ligt op het behouden van de heuplijn in de juiste positie. De focus van degene die naar achteren beweegt ligt op het correct schuin achterwaarts stappen. Deze achterwaartse stap wordt Tui-Ma genoemd. 

Tui-Ma Oefening 2 

Je staat in Chi Sau-stand met beide handen centraal voor je, in vuistpositie. De partner staat recht voor je en duwt je vuisten in een rechte lijn naar achteren. Je moet vervolgens naar rechtsachter of linksachter uit de lijn stappen en zinken in je stand. Door deze druk ontstaat een ander gevoel dan in Tui-Ma Oefening 1 vanuit Chi Sau. De aanvaller komt hierdoor uit de lijn te staan. Wanneer je eenmaal in je loopstand staat, heb je twee opties: Tui-Ma (achterwaarts uit de lijn blijven werken) Overstappen (shift en positie wisselen)

 Tui-Ma Oefening 3 

Dit is dezelfde training als oefening 2, maar nu met meer intensiteit. Je trainingspartner duwt je ruwer en met meer snelheid en kracht weg. Jij wordt hierdoor gedwongen om telkens in de Tui-Ma-stand uit te komen. De nadruk ligt hier op het omgaan met meer druk en stress, vergeleken met de vorige twee oefeningen. Ook hier geldt: wanneer je eenmaal in je loopstand staat, heb je twee opties: Tui-Ma (achterwaarts uit de lijn blijven werken) Overstappen

 Tui-Ma Oefening 4 

Met één hand Chi Sau (Dan Chi), gecombineerd met instappen. De partner beweegt daarbij naar Tui-Ma en stapt uit de lijn. Vervolgens stoot de partner met een instap. Jij reageert met een Bong Sau en stapt uit, waarbij je voorste been je nieuwe achterste been wordt. Oefeningen 2, 3 en 4 zijn afkomstig uit trainingen met David Peterson in Kuala Lumpur (oktober 2017).

 Tui-Ma Oefening 5 Een veel voorkomende oefening is wanneer iemand met veel vaart en kracht instapt. Jij reageert hierop met Man Sau en stapt achterwaarts uit de lijn. De stap die je hierbij maakt is een Tui-Ma.

90° uit de lijn stappen (L-stap) Dit wordt ook wel de L-stap genoemd (zoals David Peterson dit benoemt). Hierbij stap je ongeveer 90° uit de lijn. In plaats van naar achteren te stappen zoals bij Tui-Ma, stap je hier zijwaarts en tegelijk met een aanvallende intentie. Het doel is niet alleen om uit de lijn te komen, maar ook om direct een betere aanvalshoek te creëren. Basisprincipes Je stapt alleen uit de lijn wanneer iemand met snelheid en vaart op je af komt. Wanneer je uit de lijn stapt, volg je dit altijd op met een vervolgactie (instap of aanval). Bij deze stap verbeter je je centerline ten opzichte van je tegenstander. De hoek is variabel: van enkele graden tot maximaal 90°. Dit werkt vooral wanneer het onverwacht is; in oefenvorm is het makkelijker te corrigeren door de partner. 

Je kunt nooit alleen uit de lijn stappen en daar blijven staan. 

Na de beweging moet je altijd door: of instappen, of terug naar Tui-Ma (achterwaarts werken). 

De mate waarin je uitstapt is afhankelijk van afstand en snelheid van de tegenstander. Staat de tegenstander dichtbij, dan is een 90° stap niet mogelijk en moet de hoek kleiner zijn. Komt de tegenstander met meer afstand en vaart, dan kan de stap oplopen tot bijna 90°. Concept en toepassing 

Ik zie vaak dat twee mensen recht tegenover elkaar instappen, als twee steenbokken. De vraag is of dat wenselijk is wanneer je tegenstander bijvoorbeeld 100 kilo weegt en zware armen heeft. Een belangrijk concept hierin is de “weg van de minste weerstand”: niet recht in de lijn van de aanval blijven. Door naar de buitenkant te stappen vermijd je het directe contact van beide armen en verander je de hoek van de aanval. Je stapt dus alleen uit de lijn wanneer iemand met vaart instapt. Wanneer de tegenstander dichtbij staat, is deze optie minder relevant, omdat de dreiging dan anders is. Een ervaren vechter kan soms nog bijsturen tijdens zijn aanval, maar in de praktijk zie je vaak dat mensen toch doorschieten wanneer je op tijd uit de lijn stapt. De vraag is dan ook hoe realistisch het is dat iemand dit altijd kan corrigeren in volle snelheid. Daarom werkt dit vooral goed wanneer het onverwacht gebeurt. In oefensituaties kan een partner gemakkelijk aanpassen, daarom is sparren noodzakelijk om dit echt te testen. 

Opmerking In de tekening hieronder is de hoek niet exact 90°. De uitstap is variabel en kan liggen tussen enkele graden en maximaal 90°, afhankelijk van de situatie. Situatie 1 Aanvaller valt aan met een rechter stoot. 

 De aanvaller komt met vaart op je af. Recht tegen hem ingaan is een risico en niet nodig. Voet A is je voorste voet en gaat naar de lege hoek (C). Voet B verplaatst naar de positie waar voet A eerst stond. Je gewicht verschuift hierbij van rechtsachter naar linksachter. Je gaat dus van loopstand naar loopstand in één vloeiende stap. 

In dit voorbeeld stoot de tegenstander met zijn rechterarm. Je beweegt altijd naar de kant waar je buiten zijn aanvalslijn komt te staan, dus naar de buitenkant van de stotende arm.

 Aanvaller valt aan met rechter stoot. 

Situatie 2 Aanvaller valt aan met Linker stoot.

 Aanvaller valt aan met een linker stoot. Voorste voet A1 gaat naar positie A2, achterste voet B1 gaat naar positie B2. Hierbij moet je je heup goed meedraaien. 

Een goede vechter behoudt zijn verticale stabiliteit en kan op tijd bijdraaien, waardoor dit wegstappen minder effectief kan zijn. Binnen de training leren we zelf ook om op tijd bij te draaien, maar dat betekent niet dat deze strategie geen waarde heeft. Je traint immers niet alleen om andere Wing Chun-beoefenaars aan te kunnen, maar om te kunnen overleven in een realistische situatie. Op straat zie je vaak dat mensen doorschieten in hun aanval. 

In 99% van de gevallen kan iemand op straat niet op tijd bijdraaien wanneer hij met vaart instapt. Hierdoor kun je met één goed uitgevoerde stap het hele moment beslissen.

 Je moet leren omgaan met krachten die je balans willen verstoren. 

Je stand wordt sterker wanneer er krachten op je armen komen die je moet opvangen en waarmee je leert omgaan. Instappen en uitstappen (drills), evenals Chi Sau-drills, zijn goed om dit element te ontwikkelen. Wanneer je lange tijd stil in je stand blijft staan, zal je ongetwijfeld sterker worden in structuur. Maar wat je dan niet traint, is het combineren van balans, stand en het continu stabiliseren onder druk. In echte situaties gaat het juist om het verwerken van krachten op je armen en het ondersteunen van je lichaam onder dynamische belasting.

 Stabiliteitstraining 

Houd het been van je trainingspartner vast en beweeg langzaam heen en weer en zijwaarts. De ander probeert hierbij te blijven staan, wat in principe niet mogelijk is. Beweeg niet te snel, maar precies zo dat het nog net uitdagend en gecontroleerd uitvoerbaar blijft. Een elastiek kan helpen om je loop- en vechtstand te trainen en meer gevoel te krijgen voor spanning, druk en stabiliteit in beweging.

 Elastiektraining 

Het elastiek kan boven of onder de knieën worden geplaatst. Het doel is dat de knieën naar elkaar toe worden getrokken, zodat de voetlijnen, wanneer je deze doortrekt, elkaar aan de voorkant kruisen op een paar meter afstand. Met een elastiek als hulpmiddel wordt het lastiger om je heup weg te draaien. De achterste voet blijft daardoor beter naar voren gericht staan. Wanneer je de achterste voet toch verkeerd draait, voel je direct spanning van het elastiek aan het been. Ook rechtop komen wordt moeilijker. Wanneer je probeert omhoog te komen, schiet je snel rechtop. Als je daarna weer zakt in je stand, voel je dat je gemakkelijk doorschiet in die beweging. Dit helpt je om beter in je stand te blijven en meer controle te krijgen over je structuur. Het is een effectief hulpmiddel om je stand en uitlijning te verbeteren.

 Welk been voor welke arm (voorkeur) In een opwachtende houding zie ik gekruist staan als voorkeur: rechterarm voor en linkerbeen voor. In deze positie staat je heup meestal natuurlijker en stabieler.

 Basisidee in beweging Belangrijk om te begrijpen is dat een tegenstander altijd uit jouw lijn wil komen, zoals je ziet in verschillende boksstijlen. Als jij met rechts stoot, zal hij vaak naar rechts wegduiken (vanuit zijn perspectief), niet naar links waar jouw vrije arm zit. Dit is in vrijwel alle vechtsystemen hetzelfde: men zoekt de buitenkant, omdat dat veiliger is. Daarom moet je in je training altijd bewust de juiste richting kiezen, zodat dit als gewoonte wordt ingeslepen.

 Pas afsnijden en centerline nemen Wanneer je aanvalt, snijd je altijd de pas af. Je wilt het midden overnemen vanaf de zijkant. Je neemt het exacte midden van je tegenstander: de centerline. Wanneer je vanaf rechts instapt, stap je over het midden heen richting de rechterkant van je tegenstander, bijvoorbeeld met je linkerbeen richting zijn rechtervoet. De armen zijn hierbij secundair. Eenvoudig gezegd: beweeg zoals in de dummyvorm. De dummy is hierin je referentie. Ook daar stap je in en snijd je de lijn af.

 Fout die je wilt vermijden Wat je niet wilt, is met je rechterbeen voor staan en tegelijk met rechts stoten terwijl je met vaart instapt. Wanneer je tegenstander naar jouw rechterkant beweegt, kun je in die positie nauwelijks corrigeren. Je kunt niet goed shiften naar rechts in die loopstand. Daarom is het meestal beter dat wanneer je met rechts stoot, je rechterbeen achter staat. Dit geeft betere ondersteuning via je heup, been en de grond in één structurele lijn. Wanneer de tegenstander dan naar rechts beweegt, kun je nog steeds bijsturen en bijdraaien.

 Jat Sau stoot en correctieshift In de foto’s hierboven: ik val aan met een Jat Sau. Mijn linkerarm is de Jat Sau, terwijl ik stoot met mijn rechterarm. Mijn rechterbeen staat hierbij achter. Wanneer mijn leerling vervolgens uit mijn lijn stapt en zelf een aanval inzet, kan ik dankzij mijn achterste rechterbeen nog corrigeren door bij te draaien (zoals te zien op de derde foto). Dit is een natuurlijke correctieshift. Dit zou niet mogelijk zijn geweest als mijn rechterbeen voor had gestaan terwijl ik met rechts zou stoten. Deze correctieshift komt regelmatig terug in de tweede vorm en in de dummyvorm.

 Vaart en voetwerk De combinatie van vaart en correct voetenwerk is essentieel bij aanvallen. Wanneer er geen vaart is, bijvoorbeeld omdat je al op stootafstand staat, is het voor de tegenstander vrijwel onmogelijk om nog effectief uit de lijn te stappen. In dat geval kan hij jouw momentum niet gebruiken. De problemen ontstaan vooral wanneer je instapt met de verkeerde beenplaatsing én met vaart.

 Trainingsbewustzijn Oefeningen moeten altijd aansluiten op deze principes. Wanneer je in een drill met rechts instapt, met vaart en ook met rechts stoot, kun je jezelf een verkeerde gewoonte aanleren. Daarom moet je je afvragen of je die gewoonte wel wilt ontwikkelen. Instappen en aanvallen is altijd een bewuste keuze, geen automatische reactie waarbij je “er maar in zit”. Wees daarom bewust van je voetenwerk en train met de juiste structurele principes. Elke training gaat over reacties, structuur en het ontwikkelen van gewoontes die passen binnen het systeem.

 Mobiliteit 

Met goed voetenwerk verander je continu de lijn van de tegenstander. Door te shiften corrigeer je vaak de lijn; door over te stappen of schuin naar achter te stappen verander je de lijn. Je wilt een betere positie dan je tegenstander. Je stapt over zodat je niet in de centerline van de tegenstander blijft staan. 

Het gaat om jouw heup-middenlijn, niet om de lijn van de tegenstander. De tegenstander zal dan als training continu moeten corrigeren om niet verkeerd te komen staan. Enkel je loopstand C is een vechtstand. Standen A en B zijn structureel niet geschikt om in te vechten; deze standen zijn enkel geschikt voor bepaalde trainingen. 

Voetenwerk is in de Wing Chun-wereld een algemeen probleem. Ik zie mensen sparren in de Chi Sau (Yi Ji Kim Yeung Ma)-stand: beide benen naast elkaar in plaats van één been voor en één been achter. Vaak ook nog met de voeten naar buiten gericht, niet eens naar binnen gericht in een driehoekstand zoals de Chi Sau-stand zou moeten. Hierbij staat het kruis ook kwetsbaar open voor een trap. Men is totaal niet bewust van de eigen voeten- en heuplijnen. Ook staan de meeste mensen te rechtop, waardoor je minder mobiel bent en minder sterk staat. Dan denk ik: kansloos als iemand kracht tegen je armen zet of instapt, dan val je zo om. Je hebt geen achterste ondersteunend been in lijn met je elleboog en hand. Maar vaak zie ik ook dat beide mensen tegenover elkaar fout staan; dan heeft geen van beide voor- of nadelen en valt het probleem niet op. Meestal weten ze het wel, maar doen ze het niet zoals ze zelf zeggen dat het moet. Men is dan enkel met de armen bezig. Voetenwerk en standen zijn de ondersteuning van je armen. De juiste lijn kun je het hele gevecht mee winnen, dus niet geheel onbelangrijk. Correct voetenwerk is de helft van Wing Chun.

 Ik vond deze post erg leuk en zo waar. Ik reageer niet zo snel, maar hier kon ik het niet laten.

Silvano Bonafe